|
- door Luc Wolters -
- enigszins bijgewerkt en aangepast door André Meijers -
De Amstenraadse
schutterij St. Gertrudis telt binnen haar gelederen een aantal veteranen, die al
van voor de oorlog deel uitmaken van de schutterij, die neergang en wederopbloei
hebben meegemaakt en de vereniging door dik en dun hebben gesteund. In het
bruine countrycafé van Jan van Cep
-de thuishaven van de schutterij- vertelt het drietal Cep Roberts, zijn broer
Mei Roberts en
Wiel Kruitwagen over hun gezamenlijke schuttersverleden in Amstenrade.
Familietraditie
De zojuist 85 geworden
Caspar (Cep) Roberts (*1915, †2003) is al sinds 1929 lid, zijn jongere broer Mei
(*1922), alsmede Wiel Kruitwagen (*1924) sinds 1937.
Gezamenlijk staan zij garant voor bijna 200 jaar schutterservaring.
Die ervaring hebben zij overgeleverd gekregen van hun vaders en op hun beurt
doorgegeven aan hun zonen en kleinzonen.
Zo wordt een schutterij op basis van de familietraditie in ere gehouden.
Vergelijk het met een estafettestokje, dat jou gegeven wordt, je pakt het aan,
geeft er invulling aan, maar geeft het ook weer over naar volgende generatie.
Heroprichting na Eerste
Wereldoorlog
Tijdens de Eerste
Wereldoorlog was de schutterij in ruste.
In 1919 volgde een grootse heroprichting en trad de Amstenraadse schutterij met
ruim veertig geweerdragers uit.
Zij behaalden op schuttersfeesten in Houthem en Gulpen tal van successen.
In 1921 organiseerde Amstenrade een groot internationaal schuttersfeest met 45
deelnemende Limburgse schutterijen en 7 uit de Zelfkant met hun tamboer- en
fluitkorpsen.
Toch zou de glorie niet jarenlang duren; hoogmoed was oorzaak van de val.
Zo had de toenmalige voorzitter Harie Leunissen, gemeentesecretaris, een
feestmaal laten aanrichten met ree en zilveren bestek.
Maar ook had de man voor trammelant gezorgd en was over de schreef gegaan.
Het leidde ertoe dat de schutterij tot inkrimpen gedoemd was.
Vooroorlogs uniform
Het uniform van destijds
werd gedragen door het leger in Nederlands Indië. Hierbij hoorden ook de
beruchte beenwindsels, die als een rol verband om het onderbeen vastgemaakt
moesten worden. Toen de vader van Cep en Mei Roberts in 1930 overleed werd Cep
voor diens uniform gecharterd;
het bredere postuur van vader werd weggewerkt met een aantal spelden.
Bart Kruitwagen had deze poeties in militaire dienst nog gedragen en moest zoon
Wiel helpen om ze op de juiste manier vast te maken, anders raakten ze los en
sleepte de schutter een meterslang lint achter zich aan. Mei heeft dit uniform
niet gedragen; hij ging bij het in 1935 opgerichte tamboer- en fluitkorps, dat
witte hemden en dito broek droeg, zwarte band en stropdas met een "belsj kepke".
Het schieten
Tot direct na de oorlog
werd de koningsvogel geschoten; een aantal schutters schoot, in een halve boog
staande, tegelijkertijd met hun eigen geweer op de vogel.
Omwille van diverse veiligheidsvoorschriften -Bingelraadse schutters waren met
geladen geweer aangehouden- moest voor dit schieten na de oorlog de zware buks
gebruikt worden. Amstenrade beschikte al langer over een zware buks voor het
concoursschieten. In 1933 werd een buks gekocht van de Duitser Frings te Venlo
voor ƒ 600,=.
Eerder was er een Halbach-geweer.
De oorlog
In de oorlog ging de
schutterij niet op in de Kulturkammer en mocht zij haar activiteiten niet
voortzetten.
De uniformen werden bij eenieder in de kast bewaard; de geweren en de zware buks
werden ingeleverd en zijn door Jeup Offermans op de gemeente verborgen onder een
vloer.
In Amstenrade in het kasteel huisde echter graaf Maximilianus (Max.) de Marchant
et d'Ansembourg, die tijdens de oorlog de NSB-gouverneur van Limburg was.
Hij staat in de herinnering als een daadkrachtig man, tevens oud-burgemeester.
De goede binding tussen de schutterij en het kasteel brak de schutterij na de
oorlog op.
Opbouw na de oorlog
Na de oorlog was nog
slechts een handjevol actieve schutters over. Ze beleefden moeilijke jaren, de
schutterij was bijna "op de vot". Maar de doorzetters uit die jaren hielden de
schutterij toch op been; onder die doorzetters bevonden zich deze drie
veteranen. Zij begonnen op tal van manieren geld bijeen te sparen voor nieuwe
uniformen. Hiervoor werd van alles georganiseerd: "auwwieverbal", erwtensoep
eten, kegelen, windbuksschieten en mosselavonden. Al sinds 1946 tot heden (2000)
toe organiseert Wiel Kruitwagen kienavonden. In 1948 kwam een lichte kentering:
via een kennis van het kasteel werden Amerikaanse uniformen bemachtigd en er
werd een nieuw bestuur gevormd met Sjang Creemers als voorzitter, Cep Roberts
als secretaris en Wiel Kruitwagen zou op dat moment zijn start maken als
penningmeester, tot heden toe (2002).
Processie
De schutterij begeleidde
van oudsher de processie.
Een aantal schutters liep als erewacht aan weerszijden van de Hemel, waar
pastoor met het Allerheiligste onder liep.
Direct na de oorlog wilde pastoor Goessens de "verkenners" naast de Hemel laten
lopen.
De schutters accepteerden dit niet; vader Kruitwagen plaatste een gebalde vuist
in de rug van zijn zoon met de woorden "En hei bliefste loope".
Zo behielden de schutters hun plaats in de processie.
Echter vanaf 1970 trekt deze religieuze stoet niet meer, ze was eenmaal afgelast
wegens slecht weer, daarna werd als argument aangevoerd dat het te druk was op
de weg en verdween de processietraditie mettertijd.
Koningsvogelschieten
In Amstenrade ("Austroa")
wordt sinds mensenheugenis de koningsvogel met Beloken Pasen geschoten (de
zondag na Pasen). In de volksmond heette deze dag "Paosch Austroa". Volgens Cep,
die vijf maal koning is geweest, krijgt de koning te weinig toelage.
In 1949 ontving hij ƒ 25,=, maar moest hij wel vier maal trakteren, omdat hij
als koning naar huis begeleid werd.
Dat weerhield hem er niet van nog enkele malen het koningschap te behalen.
In 1955 begeleidde Harmonie De Nederlanden de schutterij bij het vogelschieten
op de Heiberg.
Dat was de laatste keer op die locatie.
Voor 1956 moest de vogelstang worden overgebracht naar de Kloosterberg.
Het cement waar de stang in vastzat, was echter niet kapot te krijgen, zodat de
paal moest worden afgezaagd om hem te verplaatsen.
Prijsvogelschieten
Tijdens de zomerkermis
werd een schuttersmis gehouden, waarna de acht of negen cafés bezocht werden. 's
Middags werd een prijsvogel geschoten.
Voor de oorlog was dit al zo en erna ook een tijdlang.
Dit prijsvogelschieten is echter afgeschaft omdat na de odyssee langs de
Amstenraadse heiligenhuisjes veel schutters in een weinig nuchtere toestand op
de prijsvogel wilden schieten.
Sinds 1978 wordt een prijsvogel geschoten op de zogenaamde Rozenkranszondag.
Federatiefeest
In 1964 kwam Amstenrade
in aanmerking voor de organisatie van het Zuid-Limburgs Federatiefeest. De
buffetten werden in die tijd steevast verpacht, voor het ZLF leverde dit ƒ
1750,= op.
Een hevig onweer deed van tevoren nog een schiettentje wegwaaien, dat in de
bomen terechtkwam en een aantal schietbomen woeien om.
Concurrentie ondervond Amstenrade evenwel van de Parade der Nationaliteiten, die
voor de eerste maal in Brunssum georganiseerd werd.
Toch was er een netto opbrengst van ƒ 5000,=.
In datzelfde jaar (1964) werd Wiel Kruitwagen penningmeester van de
schuttersbond Gerardus en van de Zuid-Limburgse Schuttersfederatie.
Vervoer
Het vervoer naar de
schuttersfeesten is in de loop der tijd nogal gewijzigd.
Naar Houthem in 1919 gingen de schutters nog met paard en kar.
Ook later was er geen geld voor de bus.
Joep Hahn had een oude vrachtwagen; daar werden planken ingelegd en dat was goed
genoeg voor de "verre" reizen.
Kortbij gingen de schutters te voet in formatie met marstempo naar Oirsbeek of
op de fiets naar Spaubeek of Sweikhuizen.
Als de schutters met de fiets terugkwamen had de een of ander moeite op de weg
te blijven en werd door het hooi in de wei gecrosst; dit noemden ze "t huij
kieëre".
Tegenwoordig, zo klagen de oudjes, kan niemand meer zonder de auto, zelfs voor
de meest nabijgelegen schuttersoorden wordt de heilige koe van stal gehaald.
Diverse herinneringen
Ook
de Amstenraadse schutterij heeft bielemannen gekend, zij het korte tijd (1966 en
±1970-1974).
Door officier Van Berge werden connecties met het Duitse Recklinghausen
onderhouden; geregeld troffen de schutters elkaar tijdens uitwisselingen.
Tijdens het OLS in 1956 hadden twee schutters de bus gemist, zij kwamen terug in
Amstenrade met de eerste mijnwerkersbus uit het noorden.
En dan Huubke Palmen, die een naam hoog had te houden als het om veel drinken
ging.
Tijdens een Dreiländereck te Burtscheid ging hij tegen een Duitse politieman
tekeer:
"Wents doe de moel nit hilts dan houw iech diech eine kop wie inge
wesjkeatal".
De agent had het verstaan en kon het niet waarderen, Huubke kon nog net ontzet
worden door de toenmalige voorzitter.
Jubileum in 1975
In 1975 werd jubileum
gevierd, namelijk het 325-jarig bestaan. Aan de vereniging werd toen één der
eerste koninklijke erepenningen uitgereikt namens de toenmalige koningin Juliana.
Een andere koninklijke onderscheiding, de orde van Oranje Nassau in goud was
voor Wiel Kruitwagen, die recent tot generaal was benoemd, in welke hoedanigheid
hij vele prijzen zou winnen.
In 1980 werd Wiel opgenomen in de Edele Eedbroederschap van de Souvereine Orde
van de Rode Leeuw. Enkele jaren later zou zijn bevordering tot officier in die
orde plaatsvinden.
Goede oude tijd
De beste herinneringen
worden gekoesterd.
Voor Mei was dit 1966, toen hij schutterskoning was en in Brunssum het "Koning
der Koningen"-schieten won en de Baron de Negri-beker in ontvangst mocht nemen.
Cep is maar liefst vijf maal koning geweest en vond elk schuttersfeest een
feest.
Wiel valt hem op dit punt bij; hij vindt het prachtig om tijdens de
schuttersfeesten mensen van alle rangen en standen te treffen en met eenieder te
praten.
Cep vult aan: "in de tijd dat wij jong waren, kostte het bier een dubbeltje, je
had een paar gulden bij je en daarvan werd een leuke middag gemaakt".
Wat er veranderd is in die jaren: "de uniformen en het nodeloos moderne, het
hoogvliegen", in nieuwe structuren met commissies e.d. wordt verantwoording
afgeschoven.
Toch zijn ze nog maar wat trots om op hun leeftijd deel uit te maken van hùn
schutterij
St. Gertrudis Amstenrade.
Uit:
Limburgs Schutterstijdschrift, nr. 48, september 2000, 14-19.
|